Deel 4 Water
Merse liep achter Praaik en Lawv aan. Lawv had niet gezegd waar ze nu naartoe gingen, dat vond ze best vervelend. Merse wilde het weten. Er waren nog twee delen, maar Merse had geen idee welke. Ze hoopte dat ze er gauw achter zou komen.
“Luister, we komen dadelijk bij een raar uitziend hutje. Niet schrikken en niet gillen, dat loopt niet goed af,” waarschuwde Lawv.
Na een tijdje zagen ze inderdaad het hutje. Lawv opende de deur. Binnengekomen zag Merse niks. Opeens ging er licht aan, vaag en in de verte, maar het kwam steeds dichterbij. Na een tijd konden ze een schim onderscheiden die naast zich een lantaarn droeg. Met een schok zag Merse het uiterlijk. De schim was een kleine, magere man met een zwarte cape om. Hij had een grote bobbelneus en bijna zwarte ogen. Zijn kale hoofd met de uitstulping was het meest angstaanjagende. Merse keek bang hoe de man dichterbij kwam. Lawv liep de man echter tegemoet, zonder een spoortje angst te vertonen. Ze bleven op een afstandje staan praten. Af en toe gluurde de man vanuit zijn ooghoeken naar Merse en Praaik, waar Merse de rillingen van kreeg. Na een tijdje kwamen Lawv en de man naar hen toe gelopen. Lawv vertelde dat de man Rominf heette. Hij was de bewaker van de poort van Lucht naar Water. Merse knikte naar de man. Ze vond hem nog steeds een beetje eng, maar als hij bewaker was van het deel Water, dan kon hij niet verkeerd zijn.
Rominf nam hen mee naar een ander vertrek. Daar lagen rare pakken. Ze leken op duikpakken, maar dan met vleugels. Merse vroeg waar ze voor dienden. “Om bij het deel Water te komen. Je kunt ook met een luchtboot, maar die is morgen pas terug, dus dan moet je wachten.” Lawv keek even moeilijk. “Ik ben nog nooit met een pak geweest, maar een dag wachten kan niet. Dus….” “Mij lijken de pakken wel leuk hoor!” zei Merse. “Doe die pakken maar Rominf. Kun je wel nog even uitleg geven?” vroeg Lawv bezorgd. Rominf lachte. “Natuurlijk! Misschien is het handiger als jullie eerst de pakken even aantrekken.” Ze deden wat Rominf zei en trokken de pakken voorzichtig aan. “Luister,” zei Rominf, “ Er zitten vleugels aan de pakken. Je kunt ze laten bewegen door deze touwtjes.” Hij wees bij ieder twee smalle, sterke touwtjes aan die over hun schouders hingen. “Verder hebben jullie flippers aan. Die zijn om mee te sturen. Als je ze naar links beweegt ga je naar links en andersom. Je moet dadelijk ook dit ding, dat is voor zuurstof, in je mond doen. Het is verbonden met de zuurstoffles op je rug. Nu, na een tijd zal je voelen dat je langzaam omlaag wordt gedrukt. Je komt dan boven water te hangen. Dan moet je aan dit touwtje trekken.” Nu wees hij een touwtje aan dat bij hun middel hing. “Dan verdwijnen de vleugels. Je benen zijn omwonden met stof, een staart. Je kunt zwemmen door met je armen en benen te bewegen. Als je iets niet begrijpt moet je het vragen, want dit is heel belangrijk.” Rominf keek hen serieus aan. Iedereen knikte.
Rominf leidde hen naar buiten. De flippers en staart liepen moeilijk, maar ze kwamen al snel bij een uitstekende rots aan de rand van een afgrond. Alles zag er weer net zo uit als op het begin van deel Lucht. Rominf zei: “Nu moet je je vleugels bewegen en je zult merken dat je opstijgt. Goede reis!”
Merse, Praaik en Lawv vlogen door de lucht. Opeens voelden ze dat ze omlaag werden gedrukt. Merse gilde. “We vallen!” riep ze tegen Lawv. Maar deze glimlachte. “Nee hoor. We zijn juist bijna bij water. Denk maar aan wat Rominf zei.” Merse glimlachte opgelucht bij de gedachte aan water. Even later hingen ze inderdaad boven en soort zee. Er was geen begin en eind te bekennen. Merse zakte tot zo’n tien centimeter boven het water. Daar trok ze aan haar touwtje. Plons! Zonder pardon viel ze in het water. Paniekerig flapperde ze met haar in stof gewonden benen.
Even later zag ze Lawv verschijnen. Hij zag er onrustig uit. Wat was er? Lawv wees naar zijn ene arm, waar iets in lag. Met een schok herkende Merse het vuurrode haar. Praaik! Vlug zwom ze naar Lawv. Hij gebaarde dat Praaik was flauwgevallen en dat ze zo snel mogelijk naar hulp moesten. Daarop begonnen ze te zwemmen.
Eindelijk zag Merse iets opdoemen. Ze gebaarde naar Lawv en dook de diepte in. Een heel eind dieper werd al snel duidelijk wat Merse zo vaag zag. Het was een onderwater stad! Er stonden torens en huizen van ijs, eindeloos veel. Er was een grote muur omheen. De bomen en struiken waren koraalachtig. Een eind verderop begon de bodem van de zee omhoog te lopen. Daar stond een enorm huis, waar allemaal bewakers omheen liepen. Merse gokte dat het de volgende overgang was.
De zeestad was prachtig. Vissen, dolfijnen, haaien en kwallen zwommen Lawv en Merse tegemoet. Toen ze bij de poort aankwamen werden ze aangehouden door een soort zeemeerman. “Wat komen jullie hier doen?” vroeg hij bars. Lawv gebaarde dat hij binnen de muren moest zijn om antwoord te kunnen geven. De bewaker liet hen binnen, samen met een aantal vrolijk kwetterende dolfijnen. “Ja, hoor jongens, de meiden zitten in de Krabbish, wees maar niet bang!” antwoordde de zeemeerman vrolijk terug. Merse was verbaasd dat de man de dieren kon verstaan.
Lawv haalde het zuurstofmondje tussen zijn lippen uit. “Ik ben blij dat dat ding eruit is zeg,” mompelde hij, “Jij mag hem er ook uit halen hoor Merse.” De zeemeerman glimlachte. “Die zijn zeker van Rominf geleend?” vroeg hij. Lawv knikte. “Dan mogen jullie sowieso binnen. Rominf is een goede gast. Ik denk dat jullie het wel kunnen overnachten in ‘Elfenvinnen’. De beste herberg!” “Dat weet ik!,” lachte Lawv, “Maar kun jij me misschien vertellen waar ik met deze jongeman heen kan want hij is al meer dan twee uur buiten westen.” De poortwachter keek geschrokken naar Praaik. “Ik denk naar ons geneescentrum ‘De oude Watervogel’. Daar komt maar zelden iemand naar buiten die niet geholpen kon worden. Het is vlakbij ‘Elfenvinnen’. Je moet het laantje links ervoor in gaan, je ziet het wel. Succes!”
Na een kwartiertje kwamen Lawv, Merse en Praaik bij ‘Elfenvinnen’ . Lawv vroeg een kamer voor drie. De waard had geen kamer meer, maar ze konden op zolder. “Ik kan het schoonmaken en dan kun je vanavond daar slapen. Je hebt dan geen bed, maar hopelijk is een matras ook goed? Ik vraag dan de helft van wat ik voor een tweepersoonskamer vraag. Is dat goed?” Lawv knikte. “Bedankt en tot vanavond.”
“O, dat is niet zo best. Ik zal een Moefqu roepen die hem kan onderzoeken.” Een vrouw van middelbare leeftijd achter een lichtblauwe tafel hielp Lawv. “Wat is een Moefqu?” vroeg Merse nieuwsgierig toen ze weg liep. “Weet ik niet. We zullen wel zien. Ik ben hier nog nooit geweest, er is nog nooit iets fout gegaan op een van mijn rondleidingen.” Het viel Merse op dat Lawv vermoeid uit zijn ogen keek, en ook een beetje schuldig. “Ik had kunnen weten dat het niet goed zou gaan met Praaik. Misschien blijven we hier wel geen vijf dagen, Merse.” Hij keek haar serieus aan. “voor Praaik,” voegde hij erbij.
Merse dacht na over de woorden van Lawv. Hij ging er duidelijk van uit dat ze hier bleef. Maar wat zou het volgende deel zijn? Aarde, lucht, water… Wat was het tegenovergestelde van water? Vuur! Het volgende deel was vuur! Daar wilde ze absoluut niet naartoe. Na de uitslag liep ze naar Lawv. “Wat zeiden ze?”
Lawv zuchtte. “ Praaik moet hier zo snel mogelijk weg. Als hij hier nog langer dan drie dagen blijft gaat hij waarschijnlijk dood. Ik ga met Praaik naar het volgende deel.” “Wat is dat?” vroeg Merse nieuwsgierig. “Denk goed na,” was Lawv’s antwoordt. “Lucht is het tegenovergestelde van aarde, wat is het tegenover gestelde van water?” Natuurlijk, Merse wist het antwoord: vuur, haar grootste angst. “Ik blijf hier,” zei ze vastbesloten tegen Lawv. Hij knikte met een glimlach. “Dat wist ik al hoor. Maar als je het niet erg vind, ga ik met Praaik weg. Morgenochtend. We eten vanavond in de herberg en slapen daar. Is dat goed?” Merse knikte en stelde voor om meteen te gaan.
Ze aten vis met soep, en waterijs na. “Ik vond het heerlijk. Waar kan ik zulk ijs nog meer krijgen?” vroeg Merse voldaan. “In kraampjes op straat en op de markt is een echte ijsboer. Hij gaat goed aan jou verdienen, of niet soms?” Ze lachten. “ Lawv! Hoe kom ik aan geld?” Lawv trok een serieus gezicht. “Dat heeft nog niemand gevraagd, en ik ga ook geen antwoord geven. Hoe denk je dat Lalomn en Vwill het hebben opgelost?” Merse trok een gezicht. “ Lalomn werkt denk ik in de ‘Elfenstap’. Vwill werkt… Zij doet iets samen met Roof. Bij Lalottu of bij ‘Elfenvleugels’. En ik… Hier misschien? Ik ga het meteen vragen,” riep Merse enthousiast terwijl ze naar de waard toe rende. Hij glimlachte toen ze opgewonden haar vraag stelde. “Natuurlijk meisje. Ik heb nog geen hulp en kan er wel een gebruiken. Je bent van harte welkom! Wil je meteen beginnen?” Toen Merse knikte knipoogde de waard naar Lawv terwijl hij haar begon uit te leggen hoe alles moest.
“Kijk, hiermee tap je bier. En daar staat het vat met wijn. Het ijs en al het andere eten staat in de keuken. Kom je mee even kijken?” Merse knikte en liep achter de waard, genaamd Bertrof aan. Ze moesten een kleine deur door en een trapje af, waarna ze in een enorme keuken kwamen. Er liep een oude vrouw rond. “Dat is Va-Li. Zij was eerst de waardin hier maar dat vond ze te veel werk, nu maakt ze eten klaar. Je mag kiezen of je mij boven helpt of Va-Li hier in de keuken.” “Ik.. wat moet ik boven doen? Bedienen en bestellingen opnemen?” Bertrof knikte. “Mag ik ook eerst in de keuken werken en daarna gaan bedienen?” De waard knikte weer. “Van mij mag je.”
Lawv ging met Praaik naar de zolder en legde de jongen opeen matras. Lawv luisterde naar Praaik‘s hartslag. “Als de jongen een onregelmatige hartslag krijgt heb je niet meer dan een paar uur om hem nog te redden van zijn dood,” herhaalde Lawv mompelend de woorden van de Moefqu. “Gelukkig is zijn hartslag nog normaal. Hopelijk haalt hij het tot in Vuur!”
|