Puur Zijn Nu Digitaal tijdschrift met een natuurlijke visie op gezond leven en bewust zijn. Ontspanning
 Contact  Promotie Inhoud van deze editie Advertentie tarieven Advertentie pagina Colofon Disclaimer Wie zijn wij © 2007-2011 Puur Zijn Nu
 
terug naar boven

Deel 5 Vuur

De volgende morgen stond Lawv vroeg op. Toen hij naar de hartslag van Praaik luisterde, merkte hij tot zijn schrik dat deze onregelmatig was. Vlug ging hij naar beneden, at wat en nam afscheid van Merse. Ze moest huilen. “Merse… je hoeft niet te huilen! Binnenkort zie je me weer, en Praaik ook. Dan is hij weer gezond, dat beloof ik.” Hij aaide Merse over haar hoofd en ging, Praaik in zijn armen dragend.

Na een uur kwamen ze bij de overgang. Het wemelde er van de bewakers. Lawv vroeg waarom. “Van water naar vuur gaan is erg gevaarlijk, omdat het zo tegenovergesteld is. Mensen moeten helemaal worden gecontroleerd en er mag nooit iemand ongemerkt door de overgang,” was het antwoordt. Lawv schrok. Helemaal gecontroleerd? Dan was het veel veranderd sinds de laatste keer dat hij hier was! Snel liet hij zich de controlekamer wijzen.

“Hallo. Ik wil graag door de overgang. Hoelang duurt een controle ongeveer?” “Een kwartier. Maar de uitslag weten we pas over een paar uur,” antwoordde een jonge man. “Dat kan niet! Praaik overleeft het dan niet!” De controleurs keken hem onbegrijpend aan. “Deze jongen hier is ernstig ziek. Als zijn hartslag onregelmatig is, heb ik nog maar een paar uur om uit dit deel te komen en de jongen van zijn dood te redden. En nu is zijn hartslag onregelmatig!” De controleurs keken hem aan met een mengeling van bezorgdheid en wantrouwen. “Hoe weten we dat je nu niet liegt?” vroeg een vrouw vriendelijk. Lawv zuchtte wanhopig. “Luister maar naar zijn hartslag!” Dat werd gedaan. Een controleur liep naar Praaik en legde zijn oor op de magere borst. “Het klopt,” zei hij na een tijdje tegen zijn collega’s. “De hartslag van deze jongeman is zeer zwak en onregelmatig. We moeten de man geloven.” De collega’s knikten. Ze kregen een dik zwart pak aan en werden in een ronde raket gestopt, samen met een gids. Nadat deze op een paar knoppen had gedrukt schoten ze met een enorme schok de lucht in. Al draaiend vlogen ze door het water. Na een klap meldde de gids dat ze uit het water waren. Niet lang daarna werd het bloedheet in de raket. “Nu zijn we er bijna!,” riep de gids, “Ik ga de raket laten landen!”.

Duizelig stond Lawv op een rotsachtige grond. Praaik lag naast hem.Hij werd beetje bij beetje wakker. Toen hij zat, begon de gids uit te leggen.“Jullie krijgen een dun wit gewaad aan. Dan krijg je het niet zo warm en verbrand je ook niet. Op je hoofd moet je een witte hoed dragen. Hier is alles, jullie kunnen je daar omkleden. Naast die boom leg ik wat eten. Maar nu moet ik gaan,” sprak de gids. Hij draaide zich om en liep terug naar de raket. “Fijne tijd hier,” riep hij nog voordat hij de bol binnenging.

“Zo, nu hebben we alles aan. Zullen we eerst wat eten en dan gaan rondkijken? Er zijn prachtige dingen hier. Je zult je thuis voelen, dat weet ik zeker,” zei Lawv tegen Praaik. Deze knikte slapjes.
Ze aten hete soep en een beetje gesmolten ijs. Praaik vond het maar vies. “Wat eten ze hier over het algemeen?” vroeg hij daarom. “Daar kom je nog wel achter. Nu gaan we eerst naar de trots van het deel Vuur. De rivuren!” Praaik liep opgewonden achter Lawv aan.
“Hier is hij dan… De eerste rivuur. Deze heeft zich in bergen uitgesleten. De tweede rivuur kronkelt door weilanden en de derde midden door de bossen. Alledrie komen ze uit op het Meer Der Vuren. Daar gaan we ook nog wel eens kijken.” Lawv keek naar Praaik. Deze stond met open mond te kijken naar de minstens twee meter hoge vlammen. “Ik… Wat mooi!” Lawv knikte. Ook hij was even sprakeloos. Ze liepen langs de rivier richting de bergen. “Waarom gaan we niet naar dat meer?” vroeg Praaik. In zijn stem klonk verlangen door. “Omdat de bergen ook erg mooi zijn. Dan lopen we een eindje langs elke rivuur, leren we het landschap kennen en daarna gaan we naar het meer. Het mooist voor het laatst! En bovendien moet je bij de tweede rivuur nog iemand leren kennen.” Praaik knikte. “Maar ik vind het toch jammer dat we niet meteen naar het Meer Der Vuren gaan.” “Laat nou maar. Vergaap je eerst maar aan de dingen die je daarvoor nog te zien krijgt. Die zijn namelijk ook prachtig. De drie rivuren zijn alledrie heel verschillend net als de landschappen waar ze door stromen, wat ik net ook al zei. En als je bij de tweede rivuur de man leert kennen aan wie ik je wil voorstellen, dan vergeet je dat meer meteen!” zei Lawv. Praaik lachte. “Laten we dan maar opschieten!” zei hij vrolijk.

’s Avonds waren ze op de punt van een berg. Ze genoten een tijd van het prachtige uitzicht op de eerste rivuur en de bergen. Daarna gingen ze slapen.
De volgende dag liepen ze verder langs de eerste rivuur naar het dorpje dat Lawv had aangewezen. Daar aten ze wat en leenden paarden.

Tegen de avond kwamen ze bij een kasteel dat naast de rivuur lag. Vlak ervoor was een donkere poort te zien, die niet op, maar ín de grond was geplaatst. Hij ging net open. “Achter die deuren is een trap naar de gang onder de eerste rivuur door. We gaan nu naar het kasteel om te vragen of we door de gang mogen,” vertelde Lawv. Ze reden langs de hoge deuren naar het kasteel. Daar werden ze hartelijk door de kasteelheer ontvangen. “Welkom gasten. Komt u vragen om onderdak of om doorgang tot de gang?” vroeg de kasteelheer. “Wel, heer, wij komen vragen om doorgang!” was Lawv’s antwoord. “Natuurlijk! Ik zal u laten brengen.” De heer liet met een kort hoofdknikje een dienaar dichterbij komen. “Breng hen maar. En kom direct weer terug!” Beviel hij bars. De dienaar boog en liep achteruit de zaal uit, net als Praaik en Lawv.
Ze deden de hele nacht over de lange trappen en gang. ’s Ochtends waren ze aan de andere kant. Ze liepen even bergopwaarts, maar daarna werden weilanden zichtbaar. “Dat had je verteld!” riep Praaik. De tweede rivuur liep inderdaad door weilanden, ze konden hem al zien liggen. “Daar woont een heel goede vriend van mij, die jij ook zeker mag leren kennen. Kom, laten we nu slapen.”

Ze reden een dag langs de prachtige rivuur. Schaapjes, koeien en paarden kwamen ze tegen. De diertjes huppelden vrolijk over het groene gras. Toen kwamen ze opeens bij een stadje. “Hier woont hij. Ik denk dat je je meteen aangetrokken voelt. Ga maar vast rondkijken. Ik kom zo!”
Praaik reed het stadje binnen. Toen hij op een pleintje kwam, wist hij meteen wie Lawv had bedoeld. Hij stapte af en ging bij het groepje mensen staan kijken naar de man met een doek om zijn ogen. Het vuur ging overal naar toe waar hij het wilde hebben, alsof hij ermee danste. Toen hij klaar was ging Praaik naar de man toe. “Hallo… ik ben een leerling van Lawv… Bent u,” Praaik kon niet uitpraten. “Ah Lawv! Is hij hier? Dan wil ik hem meteen spreken.” De man deed de doek niet af, wat Praaik verbaasde. “Hij zal zo wel komen, ik denk dat hij wel weet waar u meestal bent, dan kunt u hem zien.” De man glimlachte. “Nee jongen, ik kan hem niet zien. Mijn ogen doen het niet. Ik ben blind. Maar dat kon je niet weten. Hoe heet je?” Praaik liep een beetje rood aan. “Ik ben Praaik. En u?” “Vasa. Aangenaam kennis te maken. Ga je mee naar mijn huis?” Praaik knikte, maar bedacht zich toen dat Vasa dat niet kon zien. “Ja.”

Bij Vasa’s huis stond Lawv te wachten. “Hallo Vasa! Lang niet meer gezien!” Vasa glimlachte. “Hoi Lawv. Ik heb jou ook lang niet meer gesproken.” Samen gingen ze naar binnen. “Als je wil slapen Praaik, moet je dat nu doen. Morgen en overmorgen gaan we naar de derde rivuur en het Meer Der Vuren, oké?” vroeg Lawv. Praaik knikte verheugd. “Gaat Vasa ook mee?” vroeg hij. Vasa glimlachte en knikte.

Ze gingen de volgende dag dóór de tweede rivuur. Vasa zorgde ervoor dat ze niet verbranden. Zonder brandwonden kwamen ze aan de andere kant. Vasa glimlachte geheimzinnig toen Praaik vroeg hoe hij dat deed. “Ik leer het je nog wel.” Ze liepen verder, en algauw waren ze in de bossen.
’s Avonds sliepen ze op een kleine, beschutte open plek. Er klonk een zacht geknetter. Vasa legde uit dat het de derde rivuur was. “Die is hier niet meer zo ver vandaan. Morgen zijn we er, en dan lopen we erlangs naar het meer der vuren. We slapen nu maar heel even, anders halen we het niet.” Praaik knikte. Al snel lagen ze alledrie in diepe slaap. Praaik werd als eerste wakker. Hij keek om zich heen. Fluitend verzamelde hij verschillende vruchten. Toen hij een beetje afdwaalde, kwam hij bij de rivuur terecht. De vlammen sloegen hoog op, het was wonderlijk dat de bomen er niet door verslonden werden.
Hij liep terug naar Vasa en Lawv. Ook zij waren wakker geworden, en zaten verschrikt om zich heen te kijken. “O, daar ben je! Waar was je? We waren hartstikke bang dat je was opgegeten door een wolf of iets dergelijks!” riep Lawv uit. Praaik glimlachte. “Ik ging fruit verzamelen en kwam bij de rivuur. Daar heb ik even staan kijken.”
Vasa en Lawv schudde hun hoofd, maar waren niet meer boos. Samen aten ze fruit en gingen toen naar de rivuur. Tijdens de tocht erlangs zagen ze verschillende wilde dieren. Na een hele tijd stonden ze opeens aan de rand van een afgrond. Deze was cirkelvormig. De rivuur ging met een enorm lawaai de afgrond in. Op de bodem was het Meer Der Vuren. Een ontzettende grote ‘plas’ vuur. Aan de linkerkant liep een soort pad naar het midden van de ‘plas’. Lawv liep langs de afgrond naar de smalle trap die langs de stenen naar beneden leidde. Hij riep hen. Vasa trok een gezicht. “Hebben ze nou nog steeds geen kabelbaan?” Praaik grinnikte. In een rij liepen ze de trap af. Lawv voorop, Vasa in het midden en Praaik achteraan. Af en toen struikelde Vasa, maar Lawv of Praaik hielden hem dan tegen. Zo kwamen ze veilig beneden. Daar stond een wachter. Vasa mocht van hem niet over het pad tussen het vuur. “De man is blind. Dadelijk verbrandt hij zich! Dat kan toch niet.” “Ach man, ik werk iedere dag met vuur. En dan beweer jij dat ik me ga verbranden? Ik dacht het niet!” riep Vasa uit. Lawv verduidelijkte dat hij vuurspuwer was. De wachter zuchtte en liet hen door.
Ze genoten van de hitte en nabijheid van het vuur. Veilig kwamen ze bij een stenen hut in het midden van het vuur. Lawv draaide zich voor de deur om. “Ik zie je nog wel, Praaik. Veel plezier en geluk bij Vasa,” zei hij. Daarna richtte hij zich tot Vasa: “Mijn vriend, ik zal je missen. Zorg je goed voor de jongen? Ik zie je snel weer.” Vasa glimlachte. “Dag Lawv.” Ze gaven elkaar een hand, waarna Lawv de hut binnenging.

Weerzien
Lawv reisde naar het middelpunt van de delen: Dunia. Daar ontmoette hij de heersers van de vier delen. Lawv kende hen door en door, net als de toekomstige heersers. Deze zouden door tegenwoordige heersers worden opgeleid tot zelfstandige, wijze mensen die de vier delen in vrede hielden. En daar was Lawv van overtuigd. Hij had er namelijk niet voor niets voor gezorgd dat zij alle vier in hun element kwamen.
“Ik zal jullie nu aan jullie leerlingen voorstellen: hier zijn Lalomn uit Aarde, Vwill uit Lucht, Merse van Water en Praaik van Vuur!” De vier kinderen kwamen een beetje verbaasd de enorme zaal binnen waar Lawv en vier onbekenden op hen wachtten. Zij stelden zich voor als de heersers van de delen. “Zij zullen jullie opleiden en voorbereiden op jullie toekomstige taak: de nieuwe heersers van de vier delen.” Vwill rende naar Lalottu, heerseres uit Lucht. “Ga je me opleiden?” vroeg ze terwijl ze in haar armen vloog. De vrouw knikte. “En dat zal ik met plezier doen!”
Ook Praaik, Merse en Lalomn gingen naar hun meesters. Zij namen hen net zo hartelijk als Lalottu in ontvangst. Daarna namen ze tijdelijk afscheid van Lawv. Hun levensdoel was bekend, en het harde werken om het te bereiken was begonnen.