Anja, haar man Puk en vier zoons sponsorden al jaren een meisje in India bij een project dat begeleid werd door een stichting in Nederland voor een missiehuis in India. Door een maandelijkse bijdrage kon dit buitenlandse zusje een opleiding krijgen bij de priesters en nonnen. “Steeds werd ik gevraagd om eens mee te gaan naar India. Ik was wel nieuwsgierig om te gaan kijken of de hulp die we hier boden wel echt hielp. Ik zag namelijk vaak foto’s waarop de kinderen niet gelukkig leken. Ik vroeg me af waarom ik nooit blije foto’s kreeg. Ik voelde dat als ik naar India zou gaan, er voorgoed iets voor mij zou veranderen. Met een gezelschap van zes personen, waaronder mijn broer Toon, vertrok ik uiteindelijk in 1998 voor de eerste keer. We landden op Indiase bodem en kwamen op ons eerste logeeradres aan, het St. Thomas Hospital. Dit huis was en is als een thuishaven voor veel buitenlanders. Ik kreeg een kamertje en ging slapen. Toen ik wakker werd dacht ik: ik ben thuis, ik ben helemaal thuis. En meteen daarop: dat kan niet, ik woon in Nederland, en ben nog nooit in India geweest. Toch voelde het zo”. De groep kreeg een rondleiding door de sloppenwijken. Daarna bezochten ze het internaat Pt. Parru waar ‘het zusje’ verbleef. Anja: “Overal waar we kwamen werden wij als een soort godheid ontvangen. Het voelde niet goed. We werden voorgesteld aan de kinderen en inwoners als de sponsors uit Nederland en kregen naast een grote ontvangst het lekkerste eten voorgezet. Hier maakte ik voor het eerst kennis met het systeem leiding, kinderen en ‘de geldverstrekkers’. We vroegen of wij met de kinderen mochten praten, om echt contact met hen te kunnen maken. Het was een letterlijke confrontatie. De kinderen zeiden wat hen was opgedragen om ons tevreden te stellen – wij waren toch de gulle gevers? Daar zag ik voor het eerst de opgelegde dankbaarheid. Na het bezoek aan het internaat trokken Toon en ik India in, we wilden meer zien van het land”.
Op hun rondreis ontmoetten Anja en Toon de mensen die in vrijheid leven, in onbevangenheid, warmte en openheid. Een jaar later ging Anja terug. Ze wilde weten waarom de overheid, de priesters en nonnen, de ouders én de kinderen de dingen deden die ze deden. Toen kreeg ze voor het eerst inzicht in het hoe en

|
waarom. Alle betrokkenen handelen (overigens met de beste bedoelingen) vanuit hun eigen visie: de overheid om een probleem minder te hebben; de priesters en nonnen vanuit hun geloof, het bieden van hulp en verspreiding van het christendom; de ouders in de hoop hun kinderen een betere toekomst te bieden; de kinderen om hun ouders en de priesters te gehoorzamen, ze weten eigenlijk niet beter. De kinderen kregen onderwijs (onder andere Engels) op school maar keerden na hun tijd in het internaat naar hun eigen dorp terug waar zij hun oude leven weer oppakten. Waarom? Hun ouders waren niet erkend door de regering, hadden geen identiteit, en de kinderen dus ook niet. Ze zaten vast in een eeuwenlange visuele cirkel waaraan ze niet konden ontsnappen. Dit knaagde bij Anja, het voelde niet goed. “Op de laatste dag van mijn bezoek in het tweede jaar werd ik door een jongen van de tribal uitgenodigd naar zijn dorp te komen. Hij duwde een briefje
in mijn hand en zei dat het dringend was. Ik ging en trof er een uitgestorven stuk land en een aantal hutjes aan. Maar de mensen waren zó blij dat ik er was. Ik werd in hun traditionele kleding gehuld. Ik heb er gezwommen in het aanliggende water en werd daarmee opgenomen bij deze groep mensen. Daar werd in feite de eerste steen gelegd, de basis voor onze samenwerking. Daar ontstond mijn idee, hoe ik deze mensen kon helpen zodat ze niet meer afhankelijk waren van de giften uit het buitenland”.
In het derde jaar richtte Anja de stichting Wyra op met als doel geld in te zamelen voor het huizenproject van Kollimarla. “Ik beloofde deze mensen: ‘ik kom terug’. Thuis zei ik tegen Puk, mijn man: ‘ik ga huizen bouwen in India’. Hij verklaarde me voor gek. In India had ik met een priester gesproken, Jose Abrahams, en met hem hoe we te werk zouden gaan om hun het beste steun te kunnen bieden”. Het plan was eenvoudig: eerst de mensen laten registreren zodat ze een stuk land konden kopen en er een leven konden opbouwen. Daarna zorgen dat ze in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Anja: “Het ging om mensen en hun vrijheid. Ze mochten zelf zeggen en bepalen hoe ze hun leven wilden leven, in vrijheid en met recht van bestaan. Zodat ze hun afhankelijkheid van vele generaties achter zich konden laten en trots konden zijn op wat ze zelf neer konden zetten. Samen met andere Nederlandse vrijwilligers hebben we een plan van aanpak gemaakt en zijn we met veel doorzettingsvermogen dit huizenproject gestart. Ook wij moesten onze weg hierin vinden. Wat voor mij belangrijk was, was dat alles eerlijk moest gaan, dat het zuiver moest blijven, dat we het deden voor die mensen en niet om onszelf een schouderklopje te geven. Want deze mensen wilden hetzelfde als ieder ander mens: een eigen huis, een plek onder de zon, in vrijheid”.
'Toen zag ik het
grote begrijpen, de hoop die
bewaarheid werd.'
In de daaropvolgende jaren werden de gezinnen van de tribal geregistreerd en daarmee erkend. In Nederland werd er gecollecteerd, en via braderieverkopen en diverse andere acties kwam er voldoende geld binnen dat op de bank werd gezet. Anja keerde jaarlijks terug om de traag verlopende processen te begeleiden. Tijdens haar bezoeken in India had ze gesprekken met de priesters, de (gemeentelijke) overheid en niet te vergeten de belangrijkste groep, de tribal. “De mensen moesten zelf de beslissingen nemen, welk stuk grond ze wilden bijvoorbeeld, en dit ook daadwerkelijk in bezit nemen. De eerste hut werd gebouwd door een jong gezin met een pasgeboren baby; de eersten van een nieuwe generatie die de stap naar een nieuw leven zetten. Alle benodigde documenten moesten in orde zijn, en op naam van de man én de vrouw komen. Er ging wel twee jaar overheen voordat dit in orde was. De tribal is uiteindelijk door de bewoners uit het ernaast gelegen dorp geaccepteerd. De regering moest waterleiding en elektriciteit aanleggen. Een jaar later bleken er mooie tuinen met groenten te zijn aangelegd, en bloemen natuurlijk. Toen alle gezinnen een eigen hut in het dorp hadden, mochten ze zelf bepalen hoe ze een inkomen wilde vergaren – met een winkeltje, een naaiatelier, vissersnetten, buffels of geiten. Hiervoor stelde Stichting Wyra geld beschikbaar. Ook dit werd gerealiseerd. Tenslotte kwam het laatste gedeelte van het project; de mensen mochten een stenen huis bouwen. De overheid zou een deel subsidiëren, Stichting Wyra zou een deel betalen en de mensen zouden zelf naar vermogen bijdragen. De tekeningen werden gemaakt. “De mensen hadden nog nooit een bouwtekening gezien. We hebben uitgelegd wat er moest gebeuren, ook met de begroting. Uiteindelijk snapte één jongen het en hij legde aan de groep uit wat de bedoeling was. Ik zal dat moment nooit vergeten. Een jongen veranderde van onwetend in wetend, de verandering die in hem plaatsvond was geweldig. Hij keerde zijn rug naar mij toe en legde aan de andere leden van zijn stam uit wat de bedoeling was. Toen zag ik het grote begrijpen, de hoop die bewaarheid werd. Dit jaar worden de huizen gebouwd. In november zie ik hoe ver ze zijn”.
“Wat ik heb gezien bij deze mensen maakt me dankbaar en heel week van binnen. Zij hebben hun waardigheid en trots terug, omdat ze zelf voor hun vrijheid hebben gewerkt, er zelf aan hebben bijgedragen”. Dat het hele proces uiteindelijk acht jaar heeft geduurd vindt Anja begrijpelijk. “De mensen kwamen letterlijk van onder uit de modder, zij hadden tijd nodig om hun leven vorm te geven, het emotioneel ook aan te kunnen. Niet omdat wie dan ook dat wilde, maar omdat ze dat zélf wilden. Alles wat ik voor India heb gedaan, doe ik ook voor hier. De veranderingen die ergens anders plaatsvinden, werken door in alle delen van de wereld, het is één geheel”.
 |